Blogopmaak

Jef Peeters • 28 juni 2024

Economische systeemverandering is cruciaal voor een duurzaamheidstransitie

Dat we in een crisisvolle tijd leven, kan moeilijk ontkend worden. Ecologische, sociale en economische problemen stapelen zich immers op. Als antwoord wil duurzame ontwikkeling de ecologische, sociale en economische dimensies van de samenleving opnieuw in balans brengen. Wat dat concreet betekent, daar is lang niet iedereen het over eens. Stellingnames daarover hangen samen met de belangen die mensen al dan niet hebben in het thans overheersende maatschappelijk systeem, het marktkapitalisme. We botsen daarbij op een dominante manier om over economie te denken en spreken in termen van markten, kopen en verkopen, van geld en winst maken. En in die lijn zien we ook een sociaaleconomisch beleid dat de oplossing voor duurzaamheidsvraagstukken vooral van marktprocessen verwacht. Of dat een wenselijke benadering is valt te betwijfelen.

“De jaren vijftig worden ook wel de jaren van de grote versnelling genoemd.”

Het kapitalisme kijkt immers naar duurzaamheid vanuit zijn op winst en groei gerichte doelstelling en die is als zodanig niet gericht is op het welzijn van mens en natuur. Net daarom worden we geconfronteerd met overexploitatie van de hulpbronnen van de aarde, het negeren van de gevolgen van klimaatverandering en van de kansen van toekomstige generaties op een menswaardig bestaan. Zo ontstond er vanaf de jaren vijftig een unieke periode van ongekende en steeds versnellende door de mens veroorzaakte wereldwijde veranderingen op zowel sociaaleconomisch als milieuvlak. Wetenschappers spreken over die periode als de ‘Grote Versnelling’ (Steffen et al. 2015). Uit de gegevens blijkt dat trends in het aardsysteem, zoals verlies van biodiversiteit, klimaatverandering, vervuiling, of verlies van natuurlijk kapitaal in het algemeen, nauw gekoppeld zijn aan economische activiteiten en economische groei.


Voorts worden de sociale kosten van aangehouden economische groei, zoals bezuinigingen op de overheidsuitgaven, niet meer gecompenseerd door economische herverdeling. Integendeel, de laatste decennia hebben we een beleid van overheidsbezuinigingen gezien en een toenemende arbeidsonzekerheid met steeds meer werkende armen, terwijl de economische winsten op de markt in de handen van weinigen worden opgestapeld, en dat op wereldschaal. Bijgevolg heeft de economische groei niet bijgedragen tot een vermindering van de ongelijkheid, noch tussen, noch binnen landen (Donnelly 2019; Hickel 2021).

“Het BBP is specifiek bedacht om het welbevinden van het kapitalisme te meten. Het externaliseert sociale en ecologische kosten, net zoals het kapitalisme sociale en ecologische kosten externaliseert”


Dat zijn geen bij te sturen neveneffecten, maar inherente systeemeffecten, ingebakken in een economisch discours dat zich richt op het goed functioneren van de (kapitalistische) markt. Het mainstream economische narratief beschouwt milieu en maatschappij als extern aan de markt (externaliteiten) (Raworth 2017). Maatregelen die genomen worden ten behoeve van het milieu of de maatschappij vertegenwoordigen dan enkel kosten voor de economische winst. Dat leidt tot concurrerende beleidskeuzes - waarbij veelal prioriteit wordt gegeven aan het dividend van aandeelhouders dat gegarandeerd moet worden door economische groei, ten koste van de gezondheid van het milieu, sociale gelijkheid en welzijn. Hieruit blijkt ook hoe de focus op het bbp als economische maatstaf een probleem van systemische aard is. ‘Het bbp is geen willekeurige maatstaf voor economische prestaties. [...] Het is specifiek bedacht om het welbevinden van het kapitalisme te meten. Het externaliseert sociale en ecologische kosten omdat het kapitalisme sociale en ecologische kosten externaliseert.’ (Hickel 2021: 178) 

Het kapitalisme externaliseert niet alleen de kosten zoveel mogelijk, het tracht ook alles wat tot de productie kan bijdragen (bijv. grondstoffen of arbeid) zo goedkoop mogelijk te ‘internaliseren’. Deze dubbele beweging wordt mogelijk gemaakt door het creëren van een binnen en een buiten door het trekken van grenzen. Een voorbeeld is het kolonialisme, dat een scheiding schept tussen het kapitalistische centrum en de periferie, of tussen ‘ontwikkelde’ en ‘onderontwikkelde’ landen. En vandaag de dag zet het neokolonialisme die dichotomie voort door middel van condities die ongelijke ruil realiseren. Maar zelfs in het centrum blijven racisme en de behandeling van migranten als tweederangsburgers het onderscheid versterken tussen wie in is en wie uit. Een institutioneel voorbeeld is de niet-erkenning van migranten zonder papieren, hoewel velen onder hen wel werken in hun land van aankomst. Of, marginalisering is een inherent kenmerk van het kapitalisme.

Volgens Nancy Fraser zijn dergelijke scheidslijnen over het algemeen constitutief voor de institutionele vormgeving van de kapitalistische samenleving. Voorbeelden van scheidslijnen zijn die tussen samenleving en niet-menselijke natuur, tussen economie en staatsbestuur, en tussen productie en reproductie (Fraser & Jaeggi 2018, Fraser 2023). Die laatste verdeling plaatst bijvoorbeeld zorg en huishoudelijke arbeid buiten de economie, zodat het kapitaal gebruik kan maken van ingehuurde arbeid zonder zich direct zorgen te hoeven maken over de kosten van haar reproductie. Die kosten worden vooral gedragen door vrouwen, terwijl zij niet worden vergoed voor de aanzienlijke waarde die zij creëren. Maar de integriteit van samenleving en ecologie wordt ook meer algemeen bedreigd door deze ingebouwde onverantwoordelijkheid:

‘Mijn stelling is dat elke vorm van kapitalistische samenleving een diepgewortelde sociaal-reproductieve crisistendens of tegenstelling herbergt: aan de ene kant is sociale reproductie een mogelijkheidsvoorwaarde voor aangehouden kapitaalaccumulatie; aan de andere kant neigt de gerichtheid van het kapitalisme op onbeperkte accumulatie juist de processen van sociale reproductie waarop het steunt te destabiliseren.’ (Fraser, 2016: 100)

“Mijn stelling is dat elke vorm van kapitalistische samenleving een diepgewortelde sociaal-reproductieve crisistendens of tegenstelling herbergt.”

Vanuit die analyse noemen sommige auteurs het kapitalisme als winstgerichte economie ‘extractief’: het onttrekt waarde aan de natuur en de samenleving ten voordele van weinigen (bijv. Kelly 2012; Raworth 2017). Wanneer we Frasers analyse van constitutieve scheidslijnen volgen, is het wel belangrijk om de verschillende manieren waarop waarde-extractie plaatsvindt te onderscheiden, afhankelijk van de vraag of deze intern of extern is. Fraser gebruikt respectievelijk de termen ‘uitbuiting’ (exploitation) en ‘onteigening’ (expropriation). Het klassieke marxisme legt de nadruk op de uitbuiting van arbeid en de klassenstrijd die daaruit voortvloeit. Die strijd tussen arbeid en kapitaal vindt echter plaats binnen de kern van het systeem. Het vormt de focus van de vakbeweging die er vooral in slaagde betere arbeidsvoorwaarden af te dwingen voor degenen die onder een formeel arbeidscontract werken en dus ‘in’ zijn.


De institutionele grenzen maken het ook mogelijk dat het kapitaal zich waarde van buitenaf toe-eigent - onteigening - zonder billijke compensatie. Dat geeft aanleiding tot allerlei ‘grensgevechten’. Denk bijvoorbeeld aan de historische omheining (enclosure) van de commons. Of aan het koloniaal systeem, met zijn inherente racisme, dat door Fraser (2023) als de ‘kleurlijn’ als vierde scheidingslijn wordt besproken die ook vandaag verder doorwerkt. 

Onteigening is dus niet alleen historisch, maar een dagelijkse kapitalistische strategie om de kosten te verlagen, geïllustreerd door de onteigening van de waarde van reproductie en van natuurlijke hulpbronnen. Voor het kapitaal is het daarom functioneel om mensen buiten het gereguleerde systeem te houden of hen eruit te duwen, zodat bijvoorbeeld hun arbeid kan worden toegeëigend - of ‘onteigend’ - zonder grote kosten. Daarom worden we telkens opnieuw geconfronteerd met (nieuwe) vormen van marginalisering. Aldus maakt de strijd voor mensenrechten deel uit van de genoemde grensgevechten. Maar als een strijd voor inclusie rijst onmiddellijk de vraag: in welk maatschappelijk systeem?


Wanneer we ervan uitgaan dat duurzaamheid inhoudt dat allen toegang krijgen tot een bloeiend leven – met bovendien ruimte voor alle medebewoners van deze aarde – dan is een economische systeemverandering meer dan noodzakelijk. Streven naar het scheppen van nog meer waarde voor de aandeelhouder kan daar niet meer de drijvende kracht van uitmaken, maar wel het streven naar rechtvaardigheid, zorg voor alle leven, en gedeeld zeggenschap. Die waarden moeten inherente kenmerken worden van vernieuwde economische instituties en praktijken.

“Tegenover TINA – there is no alternative – plaatsen zij TAMARA – there are many alternatives ready and available”

Gelukkig hoeft economie niet opgesloten te worden in markten. Als de zorg voor het gezamenlijke levensonderhoud van mens en natuur gaat economie immers om veel meer en omvat een grote diversiteit aan praktijken. Tegen de hierboven geschetste achtergrond is het dan ook geen toeval dat heel wat burgers de handen aan de ploeg slaan om alternatieve economische praktijken te ontwikkelen tegen de neoliberale monomanie van de markt in. Tegenover TINA – there is no alternative – plaatsen zij TAMARA – there are many alternatives ready and available. Maar ook denkers en academici gingen aan de slag en articuleerden allerlei nieuwe pistes van economische theorievorming. Daarnaast ontstond de wereldwijde beweging Rethinking Economics van economiestudenten die ijveren voor meer economisch pluralisme in hun opleiding tegenover een eenzijdige marktgerichtheid. 

Ontsnappen aan de dictatuur van de markt begint dan met het zien en erkennen van economische diversiteit. In dat licht heb ik in twee contexten een verkenning ondernomen van verschillende economische benaderingen, zonder volledigheid te willen nastreven, want daarvoor is de huidige creativiteit te overrompelend. Het begon met een reeks artikels onder de noemer ‘Economie in meervoud’ vanaf 2019 in het tijdschrift Oikos (https://oikos.be/over-oikos-tijdschrift/). De negen bijdragen werden, met een nieuwe inleiding en slotbeschouwing, gebundeld in een gratis e-boek (Peeters 2023). In het kader van mijn onderzoek naar de relatie tussen sociaal werk en duurzaamheid, publiceerde ik eerder een uitgebreide economische verkenning onder de vorm van een Working Paper (Peeters 2022) die publiek toegankelijk is.


Jef Peeters

 


Referenties


Donnelly, S. (2019). The Lie of Global Prosperity. How Neoliberals Distort Data to Mask Poverty and Exploitation. New York: Monthly Review Press.

Fraser, N. (2016). Contradictions of capital and care. New Left Review, 100, 99-117.

Fraser, N. (2022). Cannibal Capitalism. How Our System Is Devouring Democracy, Care, and the Planet – and What We Can Do about It. London/New York: Verso.

Fraser, N. & Jaeggi, R. (2018). Capitalism. A Conversation in Critical Theory. Cambridge: Polity.

Hickel, J. (2021). Minder is meer. Hoe degrowth de wereld zal redden. Berchem: EPO.

Kelly, M. (2012) Owning Our Future: The Emerging Ownership Revolution. Oakland, CA: Berrett-Koehler.

Peeters, J. (2022). Sustainability and new economic approaches An exploration for social work research. SPSW Working Paper No.CeSo/SPSW/2022-01. Leuven: Centre for Sociological Research, KU Leuven. https://soc.kuleuven.be/ceso/respond/working-papers/2022/ceso-respond-2022-01

Peeters, J. (2023). Economie in meervoud. Wegwijzers naar een sociaal-ecologische economie. Oikos.
https://oikos.be/winkel/boeken/economie-in-meervoud/

Raworth, K. (2017). Donuteconomie. In zeven stappen naar een economie voor de 21e eeuw. Nieuw Amsterdam.

Steffen, W. et al. (2015). The trajectory of the Anthropocene: the great acceleration. The Anthropocene Review, 2(1), 81-98.

Deel dit bericht

Share by: